Voormalig premier Charles Michel en mister van Werk Kris Peeters
Voormalig premier Charles Michel (MR) en mister van Werk Kris Peeters (cd&v). 'De loonnormwet van de regering-Michel was een aanslag op de vrije loononderhandelingen in België.' © ID/ Wouter Van Vooren
 Dossier: Halverwege 2030

De werknemersbeweging was enthousiast over de SDG's, en met name over de doelstellingen voor waardig werk. Maar de opvolging ervan stemt somber.

Chris Serroyen, hoofd ACV-studiedienst
 01 september 2023

Toen de Verenigde Naties in september 2015 de doelstellingen voor duurzame ontwikkeling proclameerden, onthaalde de werknemersbeweging dat wereldwijd bijzonder enthousiast. Met name omdat arbeid een centrale plaats kreeg met SDG 8 voor waardig werk en economische groei. Niet zozeer omwille van die groei. Het debat over de zin en houdbaarheid van ons groeimodel leefde toen al sterk. Wel omwille van de dimensie van waardig werk, waarin de bestrijding van de werkloosheid samengaat met de bevordering van de kwaliteit van de jobs. 

De notie van waardig werk verwijst naar het concept decent work, zoals gepromoot door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). De IAO bepaalde in 1998 al een ondergrens: het respect voor de fundamentele arbeidsnormen. Die bestaan uit het verbod op kinderarbeid, dwangarbeid en discriminatie, het recht op syndicale vrijheid en vrije onderhandelingen, en sinds vorig jaar ook het recht op veilig en gezond werk.

De IAO hanteert daarnaast een bredere definitie van waardig werk: productief werk voor mannen en vrouwen moet plaatsvinden onder voorwaarden van vrijheid, rechtvaardigheid, veiligheid en menselijke waardigheid.  

Het enthousiasme van de werknemersbeweging in 2015 had zeker ook te maken met het trauma van Rana Plaza, de instorting van een bedrijfsgebouw in Bangladesh op 24 april 2013. 1.134 werknemers kwamen toen om het leven in de dodelijkste ramp ooit in de textielindustrie. Dat stelde het debat op scherp over de zorgplicht (due diligence) van internationale multinationals, om erover te waken dat mens- en milieurechten in hun productieproces worden gerespecteerd, en de eigen verantwoordelijkheid van westerse overheden. De IAO greep dat aan om tussen andere internationale instellingen haar rechtmatige plaats op te eisen in de realisatie van de SDG’s. 

Duurzaamheidsdoelstelling zonder doel

Halfweg de rit richting 2030 leverden de SDG’s helaas vooral teleurstellende resultaten op, toch zeker wat betreft de sociaaleconomische doelstellingen. Niet dat we van een succes kunnen spreken over het klimaatluik gezien de spectaculaire versnelling van de klimaatverhitting. Maar tenminste hebben we daar wel harde doelstellingen, zeker op Europees niveau, met almaar meer druk op bedrijven en burgers. Voor de andere SDG’s komen we na 7,5 jaar niet veel verder dan oeverloze discussies over indicatoren.  

Erger nog, voor SDG 8 is er zelfs geen adequate indicatorenset voorhanden. Dat ligt aan het onvermogen, zo niet de onwil, om op de diverse niveaus cijferdoelen te bepalen. Laat staan om die cijferdoelen vervolgens te vertalen in geloofwaardige hefbomen om de afgesproken targets te halen.

Voor de doelstelling van 'waardig werk' is er zelfs geen adequate indicatorenset. Dat ligt aan het onvermogen, zo niet de onwil, om op de diverse niveaus cijferdoelen te bepalen.

Dat is geen uniek probleem voor SDG 8, maar stelt zich daar nog scherper omdat er ook vanuit werkgevershoek weerstand kwam. Hen krijg je nog wel mee zolang het gaat om duurzaamheidsdoelstellingen die vooral anderen binden, maar van zodra ze de indruk krijgen dat een SDG dreigt te leiden tot nieuwe rechten voor de werknemers en nieuwe verplichtingen voor de werkgevers geven ze niet thuis. 

De inertie op nationaal vlak was zeker ook te wijten aan de aarzeling van Europa om nog decenniumdoelstellingen te bepalen. De economische en sociale langetermijnplannen van de Europese Unie, de Lissabonstrategie voor 2010 en Europa 2020, waren geen groot succes. Dat gaf de Europese verantwoordelijken weinig zin om zich opnieuw kwetsbaar op te stellen met cijferdoelen waarop je politiek dreigt te worden afgerekend. Voor het nieuwe decennium stond niet onmiddellijk een opvolgstrategie klaar. 

Pas op de Europese Top van Porto op 7 mei 2021 dook er in het kielzog van de Europese Pijler van Sociale Rechten (EPSR) iets op van dien aard, maar Europa beperkte zich ditmaal tot amper drie hoofddoelstellingen voor 2030. De werkzaamheidsgraad moest naar 78 procent, 60 procent van de volwassenen moest deelnemen aan een opleiding, en het aantal mensen in armoede of sociale uitsluiting moest afnemen met 15 miljoen.

SDG 8 over waardig werk verschrompelde tot het doel om de werkzaamheidsgraad te verhogen.

Een paar maanden later kwam de vraag aan de lidstaten om die doelstellingen te vertalen naar nationale doelen. Dat betekende dat SDG 8 verschrompelde tot de verhoging van de werkzaamheidsgraad. Zelfs voor de bestrijding van de werkloosheid, in het verlengde van het Europese streven naar volledige werkgelegenheid, is geen plaats meer in dit strategische kader. 

Geduldig papier

Op het Transitiecongres van 2019 legde het ACV daarom een triple R-benadering op tafel: Resultaten, Rechten en Regels. Vertaal dringend elk van de SDG’s, niet in het minst SDG 8, in concrete doelstellingen volgens de zogenaamde SMART-logica: Specifiek, Meetbaar, Ambitieus, Realiseerbaar en Tijdsgebonden. Maar dan niet zonder daar concrete acties aan te verbinden, in het bijzonder met afdwingbare rechten en gehandhaafde regels.

Niets is geduldiger dan volgeschreven papier met steile ambities. Zeker wanneer die geformuleerd zijn voor de middellange termijn. De horizon van politici reikt door de band genomen niet verder dan de volgende verkiezingen. Dat is meteen de reden waarom we telkens hameren op tussentijdse doelstellingen.

De Porto-doelstellingen daargelaten, gebeurde er niet veel op Europees niveau. In 2018 werd weliswaar een Multi-Stakeholder Forum opgericht, als denktank en adviesorgaan voor de inbedding van de SDG’s in het Europese beleid. Daar had het Europees Vakverbond (EVV) een zitje in, maar het orgaan stierf een stille dood. Alleen het statistische indicatorenwerk binnen Europees statistiekbureau Eurostat leek uiteindelijk over te blijven. Het EVV heeft al bij al ook weinig moeite gedaan die kar te trekken.

Bleef de vraag of we nationaal en regionaal wel een hoger ambitieniveau konden bereiken. Ook dat is een sof gebleken. Niet dat het ontbrak aan inzet. Maar die inzet speelde zich vooral af op administratief vlak, waardoor onnoemelijk veel energie ging naar de indicatorensets. Je kunt van de administratie bezwaarlijk verwachten dat ze de doelstellingen voor het regeringsbeleid decreteert. 

Dat leidde enigszins tot een indicatorenindigestie, een teveel van indicatoren, waardoor vandaag nog eens bijkomend energie moet worden gestoken in de selectie van prioritaire indicatoren. Terwijl alle energie zou moeten gaan naar het bepalen van de doelstellingen op basis van die indicatorensets. 

De federale abdicatie 

Even koesterde het maatschappelijke middenveld hoop. Toen de regering-De Croo in 2021 eindelijk aan de slag ging met een nieuw federaal plan voor duurzame ontwikkeling, op basis van de wet van 5 mei 1997 voor een federale duurzame ontwikkelingsstrategie, brak ze met een betreurenswaardige trend. In strijd met die wet had België al twaalf jaar geen plan voor duurzame ontwikkeling meer. 

Toen de regering-De Croo in 2021 aan de slag ging met een nieuw federaal plan voor duurzame ontwikkeling, brak ze met een betreurenswaardige trend, want al twaalf jaar ontbeerde België zo'n plan.

Maar het federale ontwerpplan stootte meteen op een bijzonder kritisch advies van de Nationale Arbeidsraad (NAR) en van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB). De opmerkelijkste vaststelling was dat de regering nauwelijks de moeite deed om in haar plan door te werken op de SDG’s. Daardoor bouwde ze nauwelijks verder op het huiswerk dat de sociale partners zelf al deden voor de SDG’s die meest aanleunen bij hun kerntaken, in het bijzonder voor SDG 8. Nog problematischer was dat er geen interfederaal plan voor duurzame ontwikkeling volgde. De Interministeriële Conferentie voor Duurzame Ontwikkeling (IMCDO) lag tussen 2017 en 2022 stil en werd pas recent gereactiveerd.

Net zoals de IAO op internationaal vlak, claimden de NAR en de CRB een centrale plaats voor de follow-up van SDG 8. Dat deden ze eerst door het debat aan te gaan over de meest adequate indicatoren. Een eerste advies van februari 2020 vulden ze een jaar later aan met een innovatief advies om synthetische indicatoren in te bouwen voor de meting van de kwaliteit van de arbeid en de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen.

In Vlaanderen werkt de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV) al twintig jaar met de zogenaamde werkbaarheidsmonitor, tot stand gekomen op voorstel van het ACV, om de arbeidskwaliteit te meten, maar federaal ontbreekt dat nog. De federale sociale partners hopen nu dat dit er alsnog komt van zodra Eurofound klaar is met een nieuwe, internationaal vergelijkende enquête. In een beweging willen de sociale partners op basis van de internationaal beschikbare data dan tot een indicator te komen voor de kwaliteit van de arbeidsverhoudingen, niet in het minst omdat die medebepalend is voor de arbeidskwaliteit. 

Hoe dan ook past dat allemaal in de vaststelling dat de huidige opvolging van SDG 8 in België maar een mager beestje is. Zeker wat betreft de kwaliteit van de arbeid, met alleen een opvolging van het aantal dodelijke arbeidsongevallen. Aan tal van andere problemen gaat die opvolging voorbij. Denk maar aan de precarisering van de arbeidscontracten, het toenemende aantal burn-outs, de hardnekkige problemen van sociale dumping, zelfs de schending van fundamentele arbeidsnormen. Andere SDG’s vangen die problemen slechts gedeeltelijk op, zo wordt voor SDG 5 de loonkloof tussen mannen en vrouwen opgevolgd, en voor SDG 10 het aantal werkende armen. 

Beleid kun je maar goed evalueren als de doelstellingen duidelijk zijn, quod non.

Het verweer op alle niveaus luidt dat je niet mag voorbijgaan aan de vele acties die bijdragen aan de realisatie van de SDG’s, zonder dat er noodzakelijk een SDG-vlag op werd gezet. Bovendien is het is niet omdat onze meting kaduuk is, dat het overheidsbeleid niet de goede richting uitgaat. Is dat zo? Dat is een moeilijke vraag. Er zijn bewegingen in verschillende richtingen. En het is niet altijd duidelijk wat de invloed van het regeringsbeleid is. 

Beleid kun je maar goed evalueren als de doelstellingen duidelijk zijn, quod non. Dat impliceert een maatschappelijke consensus over de indicatoren om de voortgang te meten. Quod non. Bijkomend probleem is dat SDG 8 een potpourri is met allerlei nevendoelstellingen, van de bevordering van duurzaam toerisme tot de toegankelijkheid van financiële diensten. 

Bijkluseconomie

Uit internationale vergelijkingen weten we dat het niet zo slecht gesteld is met de kwaliteit van de arbeid in België. Maar wat telt is de evolutie. Uit de werkbaarheidsmonitor van de SERV weten we dat de werkbaarheidsgraad, het aandeel werkenden met een kwaliteitsvolle baan of werkbaar werk, sinds 2013 alleen maar achteruitboerde van 54,6 procent naar 49,6 procent in 2019. De belangrijkste factor is de sterke stijging van het aantal werknemers dat psychische vermoeidheid rapporteert (van 29,3 naar 36,8 procent). Tegelijkertijd namen de problemen met het welbevinden in het werk toe (van 16,6 naar 21,1 procent), en verslechterde de werk-privé-balans (van 10,8 naar 12,8 procent). 

Het aandeel werkenden met een kwaliteitsvolle baan of werkbaar werk boerde in België sinds 2013 alleen maar achteruit, vooral door een sterke stijging van het aantal werknemers met psychische vermoeidheid (van 29,3 naar 36,8 procent).

Alleen voor opleidingen op het werk zag de SERV een significante verbetering. Het aantal werknemers dat zich in een problematische situatie voor leermogelijkheden bevindt, daalde van 22,6 naar 16,6 procent. Alleen op dat vlak toonde de federale overheid overigens enige ambitie met het nieuwe individuele recht op opleiding ten aanzien van de werkgever.  

Die ambitie ontbrak federaal als het over werkzekerheid ging. Niet dat het aandeel werknemers met tijdelijke contracten is gestegen. Sinds 2015 bleef dat behoorlijk stabiel, 7,4 procent in 2015 en 7,1 procent in 2022, sterk beneden het Europese gemiddelde trouwens. De werkonzekerheid is niet breder, maar vooral scherper geworden. Enerzijds zit ze sterk geconcentreerd bij jongeren. Anderzijds namen de zeer tijdelijke contracten toe, met name de dagcontracten.

Recent bereikte de regering op voorstel van de sociale partners wel een belangrijke doorbraak: ondernemingen die overmatig beroep doen op uitzendarbeid op dagbasis moeten vanaf dit jaar extra bijdragen betalen. Van de federale overheid onthouden we vooral de obsessie met nieuwe nepstatuten in de bijkluseconomie, met als dieptepunt het non-statuut van de digitale platformwerkers, uniek in de wereld. 

Subdoelstelling 8.7 verwijst naar het verbod op dwangarbeid en kinderarbeid, twee fundamentele arbeidsnormen van de IAO. Samen met subdoelstelling 8.8 – ‘De arbeidsrechten beschermen en veilige en gezonde werkomgevingen bevorderen voor alle werknemers’ – heeft dat niet kunnen verhinderen dat Belgische werknemers, twee jaar na de proclamatie van de SDG’s, met de verstrenging van de Loonnormwet door de regering-Michel in 2016 een regelrechte aanslag op het recht op vrije onderhandelingen in de maag gesplitst kregen. Recent veroordeelde de IAO die loonnormwet nog. En dat Vlaanderen begin dit jaar via de lokale besturen alsnog de dwangarbeid voor langdurig werklozen invoerde, verdund als een soort verplichte werkplekopleiding in gemeenschapsactiviteiten.

Twee jaar na de SDG’s kreeg het recht op vrije onderhandelingen een regelrechte aanslag in de maag gesplitst met de verstrenging van de Loonnormwet door de regering-Michel. Recent veroordeelde de IAO die loonnormwet nog.

Recente ontwikkelingen over het recht op collectieve actie – zoals het wetsontwerp Van Quickenborne dat een preventief demonstratieverbod wil instellen voor ‘amokmakers’ – zijn des te meer problematisch vanuit het oogpunt van de fundamentele arbeidsnormen. 

Kortom, de tussentijdse balans voor SDG 8 is ontgoochelend. Met verkiezingen voor de boeg en nadien een zeer moeilijke regeringsvorming dreigen opnieuw twee jaren verloren te gaan. Hopelijk komt er nadien een trendbreuk. Maar misschien moeten we tegelijk op diverse niveaus het debat aangaan over de kritische succesfactoren die ervoor moeten zorgen dat de opvolger van de SDG’s niet opnieuw de mist ingaat.

Abonnement De Gids

Neem een abonnement op De Gids!

Aanbevolen

'Vrouwenrechten zijn niet onwankelbaar'

Als eerste vrouwelijke voorzitter van vakbondscentrale ACV Voeding & Diensten heeft Pia Stalpaert de ‘mannenwereld van de vakbond’ zich...
   19 april 2024

Dienstenchequebedrijf ACC Domestic Services verliest...

Voor het eerst in ons land verliest een grote speler in de dienstenchequesector zijn erkenning. Vanaf 1 mei mag ACC Domestic Services geen...
   19 april 2024

Sociaal overleg: Iedereen gelijk bij maatwerkbedrijf WAAK...

Bij het maatwerkbedrijf WAAK in Kuurne ijverden de afgevaardigden van ACV Bouw – Industrie & Energie (ACVBIE) de afgelopen periodevoor een...
 West-Vlaanderen  15 april 2024
 

Waarom een onderscheid maken?

Sociale verkiezingen 2024 Sinds 1 januari vorig jaar heeft iedereen bij het Genkse chemiebedrijf Envalior, het vroegere DSM, het bediendestatuut....
 Limburg  15 april 2024