Mede door de klimaatverhitting gingen 3.000 hectaren van een uniek natuurgebied in vlammen op en verloren 2.000 unieke mensen hun leven. De politieke reacties op dit alles waren teleurstellend en bedroevend. Al vorig jaar waarschuwde het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering (Cerac) dat België ‘onvoldoende voorbereid’ is op een realiteit van meer en intensere natuurbranden. Een boodschap die weggezet werd als paniekzaaierij, aldus directeur Luc Bas. (De Morgen, 18 augustus)
Het rapport van het Belgian Wildfire Network (UGent en Universiteit Luik), dat de kwetsbaarheid van ons land aanwees voor natuurbranden door een gebrek aan data en materiaal, zou op 30 juni op het kabinet van federaal minister Jean-Luc Crucke (Les Engagés) met alle bevoegde ministers besproken zou worden. De vergadering werd echter geannuleerd wegens ‘een gebrek aan beschikbaarheid’.
Wat kregen we van de regeringsleden dan wel te horen?
Bij de eerste hittegolf beperkte premier De Wever (N-VA) zijn interventie, bij gebrek aan hitteplannen, tot een oproep aan de burger om ‘zijn verstand te gebruiken’. Dat inspireerde zijn partijgenoot en minister van Defensie Theo Francken om burgers aan te sporen te ‘genieten van het prachtige weer.’ ‘LEEF!’, schreef hij in hoofdletters, verwijzend naar het zwembad, een frisse Stella en de barbecue.
De Wever en Francken deden me denken aan die parlementariër die in de jaren negentig ‘al dat klimaatgebazel’ wegwuifde omdat we dan ’s avonds ‘langer van ons pintje op het terras kunnen genieten’.
Het deed me denken aan een parlementariër die in de jaren negentig ‘al dat klimaatgebazel’ wegwuifde met de opmerking dat we dan ’s avonds ‘langer van ons pintje op het terras kunnen genieten’. Critici kregen van Theo Francken het etiket ‘alarmistische communicatie’ opgeplakt en de provocatie ‘in wat voor een communistische jaloeziestaat zijn we beland?’ als wederwoord.
Of hoe klimaatscepticisme en een hittecynisme samenlopen.
België volgens New York Times
Bijna een maand later, op 15 augustus, zou de New York Times terugkomen op de uitlatingen van Theo Francken: ‘Ouderen stierven in verstikkend hete appartementen. Noodoproepen werden in de wacht gezet. Artsen behandelden een stortvloed aan mensen die door de hitte ziek waren geworden, soms op afdelingen zonder airconditioning. Dit zijn taferelen die zich onlangs tijdens een zomerweekend afspeelden in België, een van de rijkste landen ter wereld.’
De hittegolf hakte er inderdaad hard in. Tussen 18 juni en 1 juli 2000 stierven er 2.000 mensen meer dan gemiddeld. En 27 juni was wellicht de op een na dodelijkste dag van deze eeuw in België, met 651 overlijdens. (VRT NWS, 23 juli) Vooral in Wallonië stierven er opvallend meer mensen.
Voor Vlaams minister-president Matthias Diependaele (N-VA) was dat een uitgelezen moment om in een 11 juli-interview alle registers van het communautaire orgel te bespelen. Hij benadrukte dat Vlaanderen dankzij zijn sterke economie een betere sociale bescherming heeft dan Wallonië en voegde daar als ‘bewijs’ aan toe: ‘Kijk maar naar het verschil in hittedoden.’
Een kortzichtig statement van een regeringsleider die het niet nodig vond om in Vlaanderen extra maatregelen te nemen voor klimaatadaptatie, maar wel in het Vlaams Parlement van leer trok tegen het ‘alarmisme’ rond de hittegolf. ‘We moeten zorgen dat we de juiste ondersteuning bieden zonder paniek te zaaien.’
Enkele uren voor de brand op de Hoge Venen postte premier De Wever een foto van het Japanse Shinto-schrijn op Instagram waarin hij aangaf ‘een offer te brengen aan de weergoden'.
Verwees hij met ‘de juiste ondersteuning’ naar het Vlaamse klimaatbeleid, dat de Europese doelstellingen niet haalt, en naar het Vlaams ‘warmteactieplan’ dat zich concentreert rond het motto ‘zon in overvloed, verzorg je zelf en anderen goed’? Of bedoelde hij dat de overheid ‘niet voor alles een sluitende oplossing kan bieden’. ‘Hitte is deels een maatschappelijk probleem.’
Niet verwonderlijk dat zulke aanpak Jean-Pascal van Ypersele, een van de meest vooraanstaande klimaatwetenschappers van ons land, ‘woedend’ maakte. Eind juli riep hij op te stoppen met het afzwakken van de klimaatambities en vroeg hij méér ambitie te tonen voor hernieuwbare energie en energie-efficiëntie. ‘Veiligheid is niet alleen een kwestie van bommen en drones. Het is ook een kwestie van een leefbaar klimaat en van een biodiversiteit die ons voedsel en onze mentale gezondheid ten goede komen. Daarin investeren, dat is ook veiligheid.’ (VRT NWS, 28 juli)
En toen kwam de brand op de Hoge Venen.
Enkele uren daarvoor, op 14 augustus, postte premier De Wever een foto van het Japanse Shinto-schrijn op Instagram waarin hij aangaf ‘een offer te brengen aan de weergoden, wellicht tegen de droogte’. (De Morgen, 17 augustus)
Maar de goden gaven geen gehoor aan zijn bede. Ook in de Wetstraat bleef het stil. Ondanks de grote economische schade, ondanks de waarschuwingen en oproepen van klimaatwetenschappers, ondanks de aansporingen in de krantencommentaren, ondanks de dagelijkse beelden van natuurbranden, ondanks de zeven ministers die in ons land met milieu en klimaat te maken hebben, was er van een ‘crisis’ weinig sprake.
En Theo Francken? Die zag geen enkele reden om zich te distantiëren zich van zijn ‘Leef’-uitspraak: ‘Mijn punt ging over dat eeuwige schuldgevoel aanpraten door die dystopische fundi’s. Daar blijf ik bij, met schuldgevoelens en depressiviteit gaan we er niet raken. Met actie en weerbaarheid wel.’ (Knack, 17 augustus)
Of het vage ‘weerbaarheidsplan’ dat minister van Binnenlandse Zaken Bernard Quintin (MR) op 20 augustus in het parlement presenteerde – minister van Klimaat Jean-Luc Crucke was niet opgeroepen – soelaas zal brengen, is twijfelachtig. Hopelijk komen de regeringen in het najaar eindelijk tot het besef dat het ‘haalbaar en betaalbaar’-riedeltje, dat ze gebruiken om een consistent klimaatbeleid te vertragen, na deze zomer definitief opgebrand is. De strijd tegen de klimaatverhitting heeft nu een versnelling nodig, ook budgettair.
Het Global Justice Rapport van Piketty en co
Inspiratie kunnen ze alvast vinden in het recente Global Justice Rapport van het World Inequality Lab, met onder anderen economen Thomas Piketty, Lucas Chancel en Gabriël Zucman. Een project waarin 200 medewerkers van over de hele wereld doorrekenden hoe we tegen het einde van de 21ste eeuw een wereld kunnen creëren waar ieders welzijn gegarandeerd is binnen de ecologische grenzen van de planeet.
Een stelling die eerder in het baanbrekende Donuteconomie (2017) van Kate Raworth een theoretische grondslag kreeg, maar nu met nieuwe data en cijfers in een concreet scenario werd gegoten.
Het Global Justice Rapport is geen ‘radicale utopie’, wel een realiseerbaar voorstel om ‘drie grote ambities te verzoenen’: gelijk verdeelde welvaart op wereldschaal, een leefbare planeet en meer democratie. (Thomas Piketty, De Morgen, 11 juli)
Hun voorstellen rusten op drie pijlers: een versnelde decarbonisatie van ons energiesysteem, een shift naar sufficiëntie door de vermindering van arbeidsuren, vleesconsumptie, land- en materiaalgebruik, en een reductie van de ongelijkheid in inkomen, rijkdom en macht. Wat het rapport, buiten de concrete data en cijfers, interessant en relevant maakt is de combinatie van leefbaarheid en betaalbaarheid, koopkracht en draagkracht, korte-termijnhandelen en lange-termijnvisie. Iets wat in de politieke actualiteit dikwijls, en soms bewust, gescheiden wordt.
Een aantal van hun voorstellen, zoals de 25-uren werkweek, leverden bij sommige economen en arbeidsmarktdeskundigen meewarige opmerkingen op, zoals ‘onhaalbaar’ en ‘onrealistisch’. En dat miljardairs niet staan te springen om met een serieuze vermogensbelasting een internationaal ‘rechtvaardigheidsfonds’ – ter ondersteuning van arme landen om hun klimaat-, onderwijs- en zorguitgaven te financieren – is niet verwonderlijk.
Hopelijk vormt deze weerstand geen aanleiding om dit rapport in stilte te begraven. Integendeel, het verdient een brede politiek-maatschappelijk discussie. Het geeft meer inzicht in mogelijke oplossingen en meer uitzicht op een hoopvolle toekomst dan de commentaren van de klimaatvertragers die waarschuwingen als dystopisch doemdenken beschouwen en alternatieve scenario’s als irrealistische utopieën bestempelen.

