Vooral in hard-to-abate industries, of moeilijk te verduurzamen sectoren, blijven procesemissies over. Daarom staat carbon capture and storage (CCS), lang beschouwd als te duur of onzeker, opnieuw prominent op de Europese agenda.
Dat is een opmerkelijke terugkeer. Tien à vijftien jaar geleden werd CCS voorgesteld als een brede oplossing voor fossiele emissies. Maar veel projecten bleven steken in de demonstratiefase, door hoge kosten, technische problemen of een zwak verdienmodel. Een deel van de afgevangen CO2 werd bovendien gebruikt om extra olie te winnen, wat het draagvlak ondergroef.
Tien à vijftien jaar geleden werd CCS voorgesteld als een brede oplossing voor fossiele emissies. Maar veel projecten bleven steken in de demonstratiefase.
Vandaag is de context anders. De techniek is verbeterd en het klimaatbeleid botst steeds meer op emissies die moeilijk te vermijden zijn. Tegelijk wil Europa klimaatneutraliteit combineren met een competitieve industrie.
De discussie gaat daarom niet meer alleen over de technische haalbaarheid van CCS, maar vooral over de toepassingen die voorrang verdienen, de organisatie van de infrastructuur en de voorwaarden voor publieke steun.
Elke schakel tegelijk
CCS is geen afzonderlijke installatie, maar een waardeketen. CO2 wordt eerst aan een industriële bron afgevangen, vervolgens samengeperst en via een pijpleiding of schip vervoerd. Ten slotte wordt de CO2 geïnjecteerd in diepe geologische formaties, zoals uitgeproduceerde gasvelden of zoutwaterreservoirs.
De afvang gebeurt bij individuele bedrijven, maar transport en opslag vergen collectieve infrastructuur. Een bedrijf investeert pas als afvoer en opslag verzekerd zijn, terwijl een netwerk pas wordt gebouwd als voldoende bedrijven zich daartoe verbinden. Elke schakel moet dus tegelijk beschikbaar zijn.
Een bedrijf investeert pas in CCS als afvoer en opslag verzekerd zijn, terwijl een afvangnetwerk pas wordt gebouwd als voldoende bedrijven zich daartoe verbinden.
CCS wordt vaak samen genoemd met carbon capture and utilisation (CCU). Bij CCU wordt CO2 gebruikt als grondstof, bijvoorbeeld voor synthetische brandstoffen of chemische producten.
Het Noorse bedrijf Norsk e-Fuel ontwikkelt bijvoorbeeld projecten waarin CO2 en water met fossielvrije elektriciteit tot synthetische vliegtuigbrandstof worden verwerkt. Bij verbranding komt die CO2 opnieuw vrij. De klimaatwinst hangt dus af van de herkomst van de koolstof, de gebruikte energie en het vervangen van fossiele brandstof.
CCU is daarom niet gelijk aan permanente opslag, al kan het voor moeilijk elektrificeerbare toepassingen wel een rol spelen.
De Europese Commissie brengt CCS, CCU en koolstofverwijdering samen onder industrial carbon management. Dat begrip maakt de oplossingen niet gelijkwaardig. Het benadrukt dat afvang, transport, gebruik en opslag als één systeem moeten worden georganiseerd.
Die systeemblik is belangrijk. Afvanginstallaties kunnen lokaal worden gebouwd, maar pijpleidingen, havens, schepen en opslaglocaties vormen grensoverschrijdende infrastructuur. Een vertraging in een onderdeel kan de hele keten blokkeren.
Niet elke ton CO2 is hetzelfde
De Europese Unie streeft tegen 2030 naar minstens 50 miljoen ton jaarlijkse CO2-injectiecapaciteit via CCS. Voor 2050 gaat de Europese analyse uit van ongeveer 450 miljoen ton afvang en 250 miljoen ton opslag per jaar. Dat zijn beleidsdoelen en scenarioprojecties, geen voorspellingen.
Volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zal CCS waarschijnlijk nodig zijn om een deel van de resterende industriële emissies terug te dringen, vooral bij moeilijk vermijdbare procesemissies. Het Internationaal Energieagentschap plaatst CCS eveneens binnen een bredere mix van efficiëntie, circulariteit, elektrificatie, waterstof en nieuwe productieprocessen.
Die beleidskaders brengen toepassingen met uiteenlopende klimaatprestaties samen. Bij permanente geologische opslag wordt CO2 langdurig van de atmosfeer geïsoleerd, bij verwerking tot brandstoffen komt zij na verbranding opnieuw vrij.
Een geloofwaardige klimaatboekhouding moet dat verschil zichtbaar houden. Dat is een eerste reden waarom niet elke afgevangen ton dezelfde maatschappelijke waarde heeft.
Het sterkste argument voor CCS zijn de productieprocessen waarbij CO2 onvermijdelijk vrijkomt. Neem nu de intensieve klinkerproductie voor cement, daarbij komt CO2 vrij door de chemische omzetting van kalksteen. Zelfs met koolstofvrije energie blijven die emissies bestaan. Daarom speelt CCS in veel klimaatscenario’s een belangrijke, soms noodzakelijke aanvullende rol in cement en kalk.
Voor bepaalde chemische processen met geconcentreerde CO2-stromen kan dezelfde redenering gelden. Dat betekent niet dat alle emissies in die sectoren moeten worden afgevangen. Minder materiaalgebruik, alternatieve bindmiddelen, efficiëntie en circulariteit kunnen de hoeveelheid te behandelen CO2 verkleinen. CCS komt pas daarna in beeld voor het resterende deel.
Die volgorde voorkomt dat een technische nabehandeling de druk wegneemt om productieprocessen zelf te veranderen.
Haalbaarheid
Elders is de afweging minder helder. In de raffinage en petrochemie kan CCS op korte termijn veel uitstoot vermijden, maar het kan ook fossiele installaties langer in bedrijf houden of zelfs nieuwe investeringen helpen rechtvaardigen.
Publieke middelen en opslagcapaciteit kunnen dan alternatieven verdringen. Bij staal bestaan eveneens verschillende routes, waaronder waterstof, elektrificatie, meer schrootgebruik en CCS.
Onderzoek van het Joint Research Centre van de Europese Commissie toont bovendien dat de haalbaarheid per installatie verschilt volgens schaal, CO2-concentratie, technische inpassing en afstand tot infrastructuur. Niet elk bedrijf in een prioritaire sector is dus automatisch een goede kandidaat.
De staalindustrie illustreert waarom de afvangkost alleen geen rangorde kan bepalen. Staalfabrieken hebben vaak meerdere, verspreide emissiepunten, wat de investering kapitaalintensief maakt.
Toch blijft CCS in verschillende langetermijnscenario’s een mogelijk transitiepad. De bestaande productie-infrastructuur, de beschikbaarheid van koolstofarme energie en grondstoffen, de ligging en de haalbaarheid van alternatieven bepalen samen welke projecten maatschappelijk te verantwoorden zijn. Voor sommige installaties kan dit betekenen dat ze moeten herstructureren, verplaatsen of uiteindelijk sluiten.
Innovatieve projecten veranderen niets aan de afvalhiërarchie: preventie, hergebruik en recyclage moeten voorrang krijgen op afvang.
Ook de afvalverbranding komt in aanmerking. Zelfs in een meer circulaire economie blijft restafval over waarvoor thermische verwerking een rol speelt. CCS kan de fossiele uitstoot daarvan beperken. Permanente opslag van de biogene fractie kan, bij duurzame biomassa en een gunstige emissiebalans over de hele keten, negatieve emissies opleveren.
Dat is ook het principe van BECCS, de opwekking van bio-energie met CCS. Energiecentrale Stockholm Exergi bouwt bijvoorbeeld een installatie die vanaf 2028 tot 800.000 ton biogene CO2 per jaar wil afvangen en permanent opslaan. Zulke projecten veranderen niets aan de afvalhiërarchie: preventie, hergebruik en recyclage moeten voorrang krijgen.
De beleidsvraag is dus niet of elke afgevangen ton technisch dezelfde is, maar welke inzet de grootste maatschappelijke waarde creëert. Klimaatwinst staat voorop, maar ook de beschikbaarheid van alternatieven, kosten, infrastructuurschaarste, industriële waardeketens, werkgelegenheid en het risico op fossiele lock-in wegen mee.
Die afweging moet dynamisch zijn. Een toepassing die vandaag nuttig lijkt als tussenstap, kan minder verdedigbaar worden zodra een schoner productieproces commercieel beschikbaar is. Steuncontracten en toegang tot infrastructuur moeten daarom periodiek worden herzien, zonder investeerders de noodzakelijke voorspelbaarheid te ontnemen.
Uitrol loopt stroef
De grootste uitdaging ligt vandaag minder bij de afzonderlijke afvangtechniek dan bij de organisatie van de keten. Zonder transport en opslag investeert een bedrijf niet in afvang, maar zonder eerste klanten is infrastructuur niet rendabel. Die eerste aansluiters dragen bovendien meer risico dan latere gebruikers, terwijl hun deelname nodig is om het netwerk uit te bouwen.
Vergunningen voor pijpleidingen, terminals en opslaglocaties, zeker over grenzen en bestuursniveaus heen, kunnen de ontwikkeling verder vertragen. Daarbij ontstaan tegengestelde prikkels. Bedrijven wachten op zekerheid over tarieven en capaciteit, netwerkontwikkelaars op bindende volumes en opslagbedrijven op betrouwbare aanvoer.
Tegelijk proberen landen en havens snel in de uitrol van de techniek een hubpositie te verwerven. Een strategische infrastructuurambitie kan de keten op gang brengen, maar ook projecten aantrekken waarvan de klimaatmeerwaarde beperkt is. Het coördinatieprobleem is dus tegelijk economisch en politiek.
Overheden moeten niet alleen steun geven, maar ook toegang, tarieven, aansprakelijkheid en de verdeling van risico’s regelen.
CO2-netwerken vergen hoge investeringen met een lange terugverdientijd en vertonen kenmerken van een natuurlijk monopolie. Overheden moeten daarom niet alleen steun geven, maar ook toegang, tarieven, aansprakelijkheid en de verdeling van risico’s regelen.
Contracts for difference, waarbij alleen een verschil in prijs van bijvoorbeeld uitstootrechten wordt verrekend, kunnen onzekerheid beperken en zo worden ontworpen dat de steun afneemt wanneer projecten rendabeler worden.
Publieke ondersteuning mag geen blanco cheque zijn. Ze moet worden gekoppeld aan aantoonbare en blijvende emissiereducties, effectief gebruik van de installaties, transparantie over publieke middelen en het behoud en de transitie van kwaliteitsvolle werkgelegenheid.
Schaarse middelen
De verdeling van steun vergt eveneens keuzes. Met schaarse middelen kunnen we niet elk project tegelijk dragen. De overheid moet daarom vooraf criteria vastleggen en achteraf controleren of beloofde volumes, emissiereducties, investeringen en arbeidsvoorwaarden worden gehaald.
Als resultaten uitblijven, moeten steun en toegang tot capaciteit kunnen worden aangepast of teruggevorderd. Zo wordt publieke financiering een hefboom voor transitie in plaats van een vergoeding voor bestaande uitstoot.
Steun aan de CCS-keten volstaat evenmin. Energie-intensieve bedrijven concurreren met producenten uit regio’s met minder strenge klimaatregels. Een voldoende sterke ETS-prikkel (emissiehandel), CBAM (koolstofprijsheffing op import), normen, quota of aanbestedingen voor koolstofarme producten kunnen vraag creëren en koolstoflekkage beperken.
CCS is slechts rendabel en maatschappelijk zinvol binnen een breder industrie- en klimaatbeleid. Goed geselecteerde en beheerde geologische reservoirs kunnen CO2 permanent van de atmosfeer isoleren. Maar langdurige monitoring blijft nodig om eventuele lekkage via oude boorputten of geologische breuken op te sporen, ook na de afsluiting van een opslaglocatie.
De Europese regels schrijven voor dat de exploitant verantwoordelijk blijft tot aan strikte voorwaarden voor de overdracht aan de bevoegde overheid is voldaan. Grensoverschrijdend transport maakt afspraken over toezicht en verantwoordelijkheid nog belangrijker. De vraag is dus wie selectie, toezicht en aansprakelijkheid gedurende tientallen jaren waarborgt.
Verder kunnen tijdens het transport incidenten optreden. Die risico’s verschillen van trage lekkage uit een reservoir: uit een pijpleiding of schip kan op korte tijd geconcentreerde CO2 vrijkomen. Ontwerpstandaarden, ruimtelijke planning, noodprocedures en onafhankelijke controle horen daarom bij dezelfde veiligheidsketen als de opslagvergunning.
Klimaatneutraliteit
Ook de afvangprestaties verdienen nuance. De eerste projecten haalden hun doelstellingen niet altijd en kampten met hoge kosten of storingen. Recentere ervaringen tonen vooruitgang. De Italiaanse energiereus Eni en het Italiaanse energieinfrastructuurbedrijf Snam melden voor de eerste fase van hun project in Ravenna een afvang van meer dan 90 procent, met pieken tot 96 procent, bij een CO2-concentratie onder de 3 procent.
Het gaat om cijfers van de projectontwikkelaars en om een beperkte eerste fase. Ze bewijzen dus geen universele prestatie, maar wel dat hoge afvangpercentages bij een verdunde stroom technisch haalbaar zijn.
Geen enkele installatie maakt een productieproces vanzelf klimaatneutraal. Hogere afvangpercentages vragen doorgaans meer energie en kosten, terwijl resterende emissies en emissies in de rest van de keten blijven bestaan. De klimaatwinst hangt daarom ook af van koolstofarme elektriciteit en warmte.
Voor net zero of klimaatneutraliteit zullen resterende emissies moeten dalen of worden gecompenseerd door geloofwaardige koolstofverwijdering.
De Vlaamse en Belgische keuze
België combineert veel energie-intensieve industrie met weinig eigen mogelijkheden voor grootschalige geologische opslag. De petrochemische cluster in Antwerpen, de staal- en industriecluster rond Gent en de cement- en kalkproductie in Wallonië maken CO2-infrastructuur relevant, maar buitenlandse opslag en grensoverschrijdende samenwerking onvermijdelijk.
België en Noorwegen sloten in 2026 een akkoord dat de ontwikkeling van pijpleidingtransport naar opslag op het continentaal plat in de Noorse Zee moet faciliteren. Fluxys en lokale partners werken intussen aan gereguleerde netwerken, onder meer in Antwerpen.
Vlaanderen wil niet alleen de eigen industrie bedienen, maar zich ook positioneren als draaischijf voor CO2-stromen uit het achterland. Nederland heeft dezelfde ambitie. Dimensionering van de te leggen pijpleidingen wordt daardoor een industriepolitieke keuze.
Een te klein netwerk kan latere aansluitingen blokkeren, een te groot netwerk kan druk creëren om ook minder zinvolle toepassingen aan te sluiten.
Een te klein netwerk kan latere aansluitingen blokkeren, een te groot netwerk verhoogt de kosten en kan druk creëren om ook minder zinvolle toepassingen aan te sluiten. Ruimere capaciteit kan dan weer schaalvoordelen en een strategische hubpositie opleveren.
Niet alle verbindingen hoeven bovendien meteen als pijpleiding te worden gebouwd. Scheepvaart kan kleinere of verder gelegen bronnen bedienen en flexibiliteit bieden zolang volumes onzeker zijn. Pijpleidingen worden aantrekkelijker bij grote, stabiele stromen.
Een gefaseerde combinatie kan het risico beperken dat één prognose de infrastructuur voor tientallen jaren vastlegt. Die onzekerheid vraagt een gefaseerde en aanpasbare uitbouw.
Gerichte aanvulling
CCS is geen algemene klimaatoplossing en evenmin een technologie die principieel moet worden afgewezen. Ze is vooral verdedigbaar als gerichte aanvulling voor emissies waarvoor geloofwaardige alternatieven ontbreken, binnen een strategie die efficiëntie, circulariteit, elektrificatie en nieuwe productieprocessen vooropzet.
De beslissingen over toegang tot schaarse capaciteit, publieke steun en de omvang van netwerken bepalen welke industriële activiteiten worden ondersteund en wie de risico’s draagt. Vandaag worden die keuzes vooral voorbereid door overheden en industrie.
Dat is onvoldoende. Sociale partners en andere maatschappelijke actoren moeten structureel worden betrokken bij de afweging tussen klimaatwinst, concurrentiekracht, strategische autonomie, werkgelegenheid en publieke middelen. Vanuit syndicaal perspectief is steun alleen verantwoord wanneer zij effectieve en blijvende emissiereducties oplevert, de omschakeling niet vertraagt en kwaliteitsvolle industriële werkgelegenheid helpt behouden en transformeren.
Onder die voorwaarden kan CCS bijdragen aan een sociaal rechtvaardige en klimaatneutrale economie. Zonder die voorwaarden dreigt de technologie vooral bestaande belangen te dienen en infrastructuur voor langere tijd vast te klikken.

