Uiteraard omvatten onze overheidsinkomsten en -uitgaven een groot deel van het bbp en zijn bepaalde belastingtarieven hoog. Maar van die vaststelling wordt al snel een karikatuur gemaakt om te vermijden dat het niet gaat over waar de belastingdruk wel ligt en waar niet, en hoe we onze fiscaliteit eerlijker, eenvoudiger en efficiënter kunnen maken.
Volgens OESO-cijfers van 2024 bedroeg de totale belastingdruk in België ongeveer 42,6 procent van het bbp, tegenover een OESO-gemiddelde van 34,1 procent. Daarmee zit België in de kopgroep van de OESO-landen. Al is het verschil met het Europese gemiddelde van 39,4 procent meteen al minder indrukwekkend. Ook de nominale belasting op arbeid is hoog.
De Belgische belastingdruk is vooral ongelijk verdeeld, ondoorzichtig georganiseerd en zit vol uitzonderingen.
De OESO-tax wedge – of het verschil tussen de totale loonkost en wat een werknemer netto ontvangt – bedroeg in 2025 voor een alleenstaande werknemer aan het gemiddelde loon 52,5 procent, de hoogste van alle OESO-landen.
Met deze cijfers stopt vaak de discussie. Maar wat weten we eigenlijk wanneer we zeggen dat ‘de belastingdruk’ hoog is?
Welke belastingdruk bedoelen we? De belastingdruk op arbeid? Op consumptie? Op ondernemingen? Op vermogen? Op vermogensinkomsten? Op het globale bbp? Op een gemiddeld loon? Op een mediaanloon? Op nominale tarieven? Of op wat uiteindelijk werkelijk wordt betaald?
In het publieke debat worden die vragen vaak op één hoop gegooid. Handig voor wie een dramatisch beeld wil schetsen, maar minder nuttig voor wie een rechtvaardig fiscaal beleid wil. Door bepaalde cijfers te selecteren, moeten we het niet hebben over waar weinig sprake is van die zogenaamd hoge druk. De Belgische belastingdruk is namelijk vooral ongelijk verdeeld, ondoorzichtig georganiseerd en zit vol uitzonderingen.
Maaltijdcheques, bedrijfswagens, hospitalisatieverzekeringen
Het volstaat om een belastingbrief erbij te nemen om te beseffen dat het effectieve belastingtarief voor veel mensen sterk verschilt van wat er wordt verkondigd.
Dat heeft meerdere redenen. De eerste ligt bij de cijfers die we hanteren in het debat. Internationale instellingen produceren een reeks van vergelijkingen en statistieken, bijvoorbeeld van de OESO of de Europese Commissie. Daarin zie je steevast dat de persoonlijke inkomensbelasting en sociale bijdragen in België bij de hoogste in de Europese Unie liggen.
Ook de OESO-cijfers tonen aan dat de kloof tussen wat een werkgever betaalt en wat een werknemer netto overhoudt, in België uitzonderlijk groot is. Beide zijn pertinente en belangrijke vaststellingen.
Maar in die vergelijkingen gaat het zelden tot nooit om foto’s van de actuele situatie, wel over gestandaardiseerde modelgezinnen, zoals een alleenstaande werknemer of een gezin met kinderen. Het inkomen wordt daarbij uitgedrukt als een percentage van het gemiddelde brutoloon. Goed voor een internationale vergelijking bij toepassing van de fiscale regels, maar niet het resultaat dat je ziet op tax-on-web. Voor een goede vergelijking moet ons gehele fiscale systeem in rekening worden genomen.
Volgens de RSZ en HR-dienstverlener SD Worx worden op meer dan 6 procent van de loonmassa geen of slechts beperkte belasting of bijdragen betaald.
Dat brengt ons bij een tweede punt. We weten wat we meten, maar we vergeten wat we niet willen meten. Of niet kunnen meten. Om even bij de OESO-cijfers over belasting op arbeid te blijven. De OESO houdt quasi uitsluitend rekening met brutolonen. Voor België worden de meeste extralegale voordelen uitgesloten uit de loonbasis.
Nochtans zijn maaltijdcheques, bedrijfswagens, laadkaarten, groepsverzekeringen, hospitalisatieverzekeringen, aanvullende pensioenen, cafetariaplannen, bonusplannen en fietsleasings geen exotische randfenomenen meer. De laatste cijfers van de RSZ en van HR-dienstverlener SD Worx geven aan dat op meer dan 6 procent van de loonmassa geen of slechts beperkte belasting of bijdragen worden betaald.
Dat zou, volgens hen zelf, nog een onderschatting zijn. Voordelen waarvan we weten dat ze ongelijk verdeeld zijn en die de belastingdruk op loon danig vertekenen. De OESO-cijfers zeggen bovendien al helemaal weinig over wie via vennootschappen, vastgoed, kapitaalinkomen of fiscale aftrekken een andere route door het systeem neemt.
Geen algemene vermogensbelasting
Het volgende probleem is dat de belastingdruk vaak wordt voorgesteld als een objectief cijfer dat voor zichzelf spreekt. Dat is niet zo. Wat men meet, bepaalt wat men vindt. Neem de vermogensbelasting. België heeft geen algemene vermogensbelasting zoals sommige andere landen.
Tegelijk bestaan er wel belastingen op bepaalde vermogensbestanddelen: onroerende voorheffing, registratierechten, erfbelasting, schenkbelasting, roerende voorheffing, beursverrichtingen, effectenrekeningen en sinds 2026 een meerwaardebelasting op bepaalde financiële activa, met een resem uitzonderingen.
Dat betekent dat wie alle belastingen die op een of andere manier met vermogen te maken hebben samentelt, kan beweren dat vermogen in België zwaar wordt belast. Maar wie kijkt naar de effectieve belasting op bepaalde vermogensinkomsten, zoals reële huurinkomsten of meerwaarden op aandelen op naam, ziet vooral een fiscaal paradijs.
Men verwart het aandeel van kapitaalgerelateerde belastingen in de totale belastingontvangsten met de effectieve belastingdruk op vermogensinkomsten.
De Europese Commissie wijst er zelf in haar jaarlijks landenrapport op dat vastgoed fiscaal gunstig wordt behandeld via het kadastraal inkomen, en dat de fiscale behandeling van kapitaalinkomen verstoringen creëert tussen sparen, beleggen, vastgoedinvesteringen en ondernemingskapitaal.
Hier wordt in het debat vaak bewust verwarring gezaaid. Men verwart het aandeel van kapitaalgerelateerde belastingen in de totale belastingontvangsten met de effectieve belastingdruk op vermogensinkomsten. Dat zijn twee verschillende gegevens.
Als een land veel registratierechten of erfbelasting int, betekent dat nog niet dat huurinkomsten correct worden belast. Als roerende voorheffing inkomsten oplevert, betekent dat nog niet dat alle kapitaalinkomsten even consequent in de belastingbasis zitten.
En vooral, als er zeer veel vermogen is, dat kan een hoge opbrengt perfect samengaan met een lage belastingdruk. Laat België nu net het tweede hoogte netto vermogen hebben van Europa met 528 procent van het bbp.
Meer private uitgaven
Hetzelfde geldt voor overheidsuitgaven in relatie met de belastingdruk. Ook daar klinkt het vaak dat de Belgische overheidsuitgaven meer dan de helft van het bbp bedragen. De overheid is dus te groot en dat is het probleem.
Maar uitgaven uitgedrukt in procent van het bbp zeggen vooral iets over de rol van de overheid als verkeersregelaar van geldstromen, niets over de besteding op zich. Ze vertellen niet of burgers slechter af zijn, of publieke diensten te ruim zijn, of de overheid ‘te veel’ doet.
In landen met een sterk uitgebouwde sociale zekerheid lopen meer uitgaven via collectieve systemen. In andere landen worden dezelfde risico’s deels privaat betaald via verzekeringspremies, pensioenfondsen, remgelden, schoolkosten of zorgkosten. Het eerste verschijnt als overheidsuitgaven, het tweede vaak niet.
Dat is een cruciaal verschil. Elk pensioen dat via de sociale zekerheid loopt, verhoogt de overheidsuitgaven. Een verplicht of quasi-verplicht privaat pensioenplan, zoals in Nederland, doet dat veel minder. Maar de kost voor werknemer of werkgever is daarmee niet magisch verdwenen.
Publieke gezondheidszorg verhoogt de collectieve uitgaven. Private verzekeringspremies verhogen vooral de factuur van gezinnen. Wie alleen naar het bbp-percentage kijkt, ziet de grootte van de verkeersagent, niet noodzakelijk de totale kost van het kruispunt.
De rekening is voor iedereen anders
Er is nog een bron van verwarring in het belastingdebat, namelijk het verschil tussen nominale tarieven en werkelijk betaalde belastingen. België is een land met relatief hoge zichtbare tarieven, tenminste op bepaalde vlakken.
De personenbelasting loopt op tot 50 procent in de laatste schijf, met gemeentelijke opcentiemen daarbovenop. De vennootschapsbelasting bedraagt in principe 25 procent. De btw heeft een standaardtarief van 21 procent. Maar nominale tarieven zeggen niet alles. België combineert hoge tarieven met een uitgebreid systeem van aftrekken, verminderingen, vrijstellingen en bijzondere regimes.
Dat maakt de fiscaliteit hopeloos complex en vaak ongelijk. Zelfs het IMF wijst in zijn rapporten over België op de nood om belastinguitgaven te verminderen. Minder fiscale cadeaus uitdelen, met andere woorden.
De recente HIVA-studie van econoom Jozef Pacolet legt de vinger op de wonde. We moeten niet alleen kijken naar wat België belast, maar ook naar wat België niet belast. Volgens hun studie bedragen de gecombineerde fiscale en parafiscale minderontvangsten 20 procent van het bbp, terwijl de effectieve ontvangsten ongeveer 42 procent van het bbp bedragen.
Hun samenvattende formule is scherp: voor elke 2 euro die de overheid ontvangt, is er ongeveer 1 euro die ze niet ontvangt. Of om het in tarieven uit te drukken: als de overheid 50 procent vraagt, betaal je eigenlijk maar 33,3 procent. Alleen is de rekening voor iedereen anders, naargelang de inkomensbronnen en verschillende kosten. Dat zet de klassieke uitspraak over een hoge belastingdruk in een ander licht.
België is tegelijk een land van hoge belastingen én een land van omvangrijke niet-belasting. We heffen veel, maar we stellen ook veel vrij. We hanteren stevige tarieven, maar halen vervolgens via uitzonderingen, aftrekken en gunstregimes grote delen uit de belastbare basis.
Ontsnappingsroutes
Dat is ook de paradox van de Belgische fiscaliteit. Ze is streng voor wie weinig ontsnappingsroutes heeft, en soepel voor wie de juiste inkomensvorm, juridische structuur of fiscale optimalisatie kan gebruiken.
Een werknemer met klassiek loon zit snel in een hoge aanslagvoet. Een eigenaar-verhuurder wordt vaak niet belast op reële huurinkomsten. Een zelfstandige of manager kan via een vennootschap inkomsten anders structureren. Een belegger wordt geconfronteerd met roerende voorheffing en nieuwe taksen, maar ook met vrijstellingen, drempels en uitzonderingen. Leuk voor de vennoot in een familiebedrijf, minder voor de kleine belegger.
In dat licht moeten we de duidelijke evolutie naar vervennootschappelijking bekijken, een zuiver Belgisch fiscaal symptoom. Door de manier waarop inkomsten belast worden in combinatie met een lakse opvolging en controle van schijnzelfstandigheid, wordt de deur opengezet naar de omzetting van werknemers naar zelfstandigen.
Ons belastingstelsel beloont niet productiviteit, investeringen of tewerkstelling, maar vooral fiscale spitsvondigheid.
Hier wijst de Europese Commissie erop dat fiscale verschillen tussen arbeidsinkomen en kapitaalinkomen bijdragen aan het gebruik van managementvennootschappen en dat bepaalde voordelen ‘zelfstandigen’ aanzetten om zich te organiseren op een manier die niet noodzakelijk gericht is op groei of jobcreatie. Dat is niet alleen een fiscaal probleem, maar ook een arbeidsmarkt- en productiviteitsprobleem.
Het betekent dat ons fiscaal systeem niet neutraal is. Het stuurt gedrag. Het beloont niet productiviteit, investeringen of tewerkstelling, maar vooral fiscale spitsvondigheid.
Wie betaalt?
Dat betekent niet dat de vraag om arbeid minder zwaar te belasten niet legitiem is. Maar het is even legitiem om te vragen naar wie die lastenverlaging betaalt en welke belastingbasis daarvoor verbreedt.
Een verlaging van de personenbelasting zonder grondige aanpak van aftrekken, gunstregimes en lage belastingen op bepaalde vermogensinkomsten leidt niet tot fiscale rechtvaardigheid, maar tot een nieuw begrotingsgat. De huidige beleidsrichting erkent maar met moeite het probleem. Het regeerakkoord schrijft een verlaging van de personenbelasting voor, met een hogere belastingvrije som, een sterkere werkbonus, een vermindering van bepaalde bijdragen, een beperking van sommige aftrekposten, en enkele stapjes in de fiscaliteit voor kleine vennootschappen.
Echt wieden in fiscale constructies is dat niet. Verkeerde incentives zullen dan blijven spelen. De nieuwe meerwaardebelasting en de hogere taks op effectenrekeningen zijn symbolisch belangrijk, maar illustreren wat Pacolet mooi de ‘Belgische ziekte van belasten en niet-belasten’ noemt. Van zodra een nieuwe belasting wordt ingevoerd, verschijnen ook drempels, vrijstellingen, uitzonderingen en ontwijkingsmogelijkheden.
Het komende begrotingsdebat moet opnieuw een fiscaal kompas vooropstellen dat komaf maakt met koterijen en durft over statuten en inkomsten heen te werken. Het is ironisch dat de sociale voordelen van werknemers steeds meer worden beperkt, naar het model van de zelfstandigen, terwijl zelfstandigen wel voor de fiscale behandeling van hun inkomsten bevoordeeld worden.
We hebben behoefte aan een belastinghervorming die drie dingen tegelijk doet: de belastingdruk op arbeid verlagen, de belastingbasis effectief verbreden en de uitzonderingen afbouwen die vooral ten goede komen aan wie zich fiscaal kan organiseren. Minder lasten op werk zijn verdedigbaar, maar alleen als werknemers ze niet opnieuw betalen door besparingen op hun sociale bescherming of via hogere consumptiebelastingen.
Hou het liever eenvoudig en globaliseer de inkomsten los van de bron bij elke belastingplichtige. Ieder kiest waar die zijn inkomen mee wil verdienen, ieder draagt bij naar vermogen. Een euro is toch een euro?

