illustratie waarbij allerlei werknemers, van bakker tot houtbewerker, aanschuiven in een rij
© Rutger Van Parys
 

Wie kanker krijgt door schadelijke stoffen op het werk, gaat een lijdensweg tegemoet. Op vlak van gezondheid, maar ook administratief. Want heel wat slachtoffers van beroepskankers blijven in de kou staan. ‘Op zijn minst kunnen we zeggen dat er een weeffout zit in ons beroepsziektesysteem.’

Lies Van der Auwera
 24 januari 2023

Beroepskankers is een verzamelnaam voor kankers die te linken zijn aan werk waarbij de werknemers blootgesteld worden aan schadelijke stoffen. De bekendste ziekmakende stof die kanker veroorzaakt, is wellicht asbest. Maar ook houtstof of kwartsstof zijn ziekmakers. Zo kan houtstof leiden tot neussinuskanker. Kwartsstof, dat we vroeger aantroffen in de longen van mijnwerkers, vinden we vandaag in longen van onder meer plaatsers van composietstenen keukenbladen of werknemers in de bouw.

Slachtoffers van beroepskankers – al neemt dat het lijden niet weg – kunnen financieel ondersteund worden, tot 80 procent en soms zelfs 100 procent van hun loon. Ook nabestaanden kunnen een vergoeding ontvangen. De moeilijkheid ligt bij de bewijslast. Aantonen dat je kanker te wijten is aan je beroep, blijkt vaak onbegonnen werk.

Mesothelioom of longvlieskanker door asbest vormt de uitzondering en is relatief makkelijk te bewijzen. Ook sinuskanker door houtstof valt onder die categorie. Maar bij andere kankers wordt amper 1 procent van de aanvragen als beroepskanker erkend, zo leren recente cijfers van Fedris, het Federaal Agentschap voor Beroepsrisico’s.

Joeri Luts van Fedris licht toe: ‘Zowat 5 tot 8,5 procent van alle kankers zijn beroepskankers. We kunnen stellen dat er jaarlijks ongeveer 2 000 gevallen van beroepskanker voorkomen. Maar daarvan komt maar een klein deel tot bij ons: zo’n 18 procent. Dat heeft te maken met het feit dat niet alle kankers meteen te linken zijn aan het beroep. Als we kijken naar de afgelopen vijf jaar, krijgen we ongeveer 1 850 aanvragen binnen. Op die tijd hebben we 911 dossiers erkend. Het leeuwendeel, 69,2 procent daarvan, erkent longvlieskanker door asbest. Dan gaat er nog eens 11,7 procent van de erkenningen naar longkankers door asbest. De overige 20 procent gaat bijna volledig naar sinuskanker veroorzaakt door houtstof, een ziekte die voorkomt bij houtbewerkers. Die ene procent die dan overblijft is voor alle andere beroepskankers, waar erkenningen quasi nihil zijn.’

Mijnwerkers

Dat een erkenning een administratieve lijdensweg kan zijn, toont het verhaal van Stefan Sartori, wiens vader twintig jaar lang in de mijn van Zwartberg aan het werk was. De man stierf aan longkanker, maar dat werd nooit officieel erkend door Fedris. ‘In 1988 is mijn vader overleden. Zijn longen waren helemaal zwart. Na zijn overlijden heb ik een attest gevonden, waarin zijn arts officieel stelt dat hij 81 procent aan silicose door kwartsstof in zijn longen had. Fedris besliste in 1989 echter dat de ziekte niet erkend zou worden. Jaren later heb ik opnieuw een aanvraag ingediend, maar longkanker door kwartstof is nog steeds niet officieel erkend. Onbegrijpelijk. Ik blijf dit verhaal vertellen omdat ik geloof dat dit in de toekomst anders moet.’

Fedris erkent wel de stoflong, maar de longkanker die eraan gelinkt is nog niet. ‘Longkanker door kwartsstof op de lijst krijgen is een volgende stap. De laatste vijf jaar zien we een toename aan kankers door kwartsstof. Dat zou zeker een nieuwe beroepskanker kunnen worden.’  De wetenschappelijke raad van Fedris bekijkt welke kankers toegevoegd kunnen worden aan de lijst. In die raad zetelen vertegenwoordigers van de betrokken sectoren, werkgevers, werknemers en universiteiten. Luts: ‘Als de ziekte niet op de lijst staat, dan kan dit steeds ingediend worden in het open systeem. Als daar inderdaad een verhoging van het aantal dossiers vastgesteld wordt, kan dat ook aanleiding geven tot een verdere studie van die aandoening.’ Maar de basis blijft: je moet het kunnen bewijzen.

Weeffout

Kris Van Eyck, expert welzijn op het werk bij het ACV, bevestigt het probleem van de moeizame erkenning: ‘In ons systeem zit een duidelijke weeffout wat betreft beroepskankers. Vandaag kennen we twee systemen van erkenning. Ofwel staat de ziekte op de lijst van erkende beroepsziekten, en dan loopt alles vlotter. Maar de meeste kankers staan niet op die lijst en dan ligt de bewijslast bij de slachtoffers. Laat dat nu net het probleem zijn.’

Concreet betekent dit dat slachtoffers zelf moeten aantonen wat het verband is tussen hun ziekte en de blootstelling aan schadelijke stoffen tijdens de arbeid. Maar niet alle schadelijke stoffen zijn weer te traceren. En bovendien kan het jaren duren vooraleer arbeiders ziek worden. Die lange periode maakt de bewijslast alleen maar lastiger. Daarnaast is de oorzaak van een kanker niet altijd eenvoudig te benoemen. Wat doe je bijvoorbeeld met een zieke werknemer die ook jarenlang gerookt heeft?

Wat moet er dan gebeuren? ‘Heel belangrijk is dat die mensen vergoed worden’, zegt Van Eyck. ‘Het kan echt niet dat we mensen laten werken in ziekmakende omstandigheden om ze dan koudweg aan hun lot over te laten. Maar nog belangrijker is dat ze die ziekte überhaupt niet ontwikkelen. We moeten er dus in de eerste plaats voor zorgen dat werknemers minder worden blootgesteld aan kankerverwekkende stoffen.’

Het ACV pleit daarom voor een strengere wetgeving. Zo ligt vandaag de grenswaarde voor de blootstelling aan kwarts op tafel bij Minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS). En ook voor asbest moet de grenswaarde, op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten, sterk verlaagd worden, vindt het ACV. Werkgevers spelen in dit hele verhaal een cruciale rol, klinkt het bij Van Eyck: ‘Werkgevers weten dat bepaalde stoffen schadelijk zijn en we voelen wel degelijk bereidheid bij hen. Maar discussies met werkgevers gaan meestal over timing en mate van de blootstelling van de stoffen in kwestie. De efficiëntste manier om drama’s te voorkomen, is om kankerverwekkende stoffen niet langer te gebruiken.'

'Wettelijk is het trouwens verplicht om kankerverwekkende stoffen te vervangen als dat technisch mogelijk is, maar in de praktijk zien we dat de industrie daar nog veel te weinig inspanningen voor doet. Uiteraard hangt daar een prijskaartje aan vast. De industrie geeft prioriteit aan economische haalbaarheid, terwijl onze prioriteit de gezondheid van de werknemers is. Het is daarom belangrijk om te blijven inzetten op zowel preventie, als onderzoek, en registratie en meting van de blootstelling op de werkvloer. Enkel zo wordt het mogelijk om beroepskankers te vermijden en de link tussen kanker en blootstelling aan schadelijke stoffen op de werkvloer ook effectief te bewijzen, zodat slachtoffers vergoed kunnen worden.

Visie Nieuwsbrief inschrijven

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief!

Aanbevolen

Mag mijn werkgever loon inhouden als ik te laat ben?

Het kan de besten overkomen, te laat komen op je werk. Maar soms betekent één minuut te laat inklokken dat de registratie van je werkdag pas een...
   26 januari 2023

Uitzendkantoren slaan munt uit dure noodoplossing voor zorg

Een deel van het vast zorgpersoneel neemt tegenwoordig ontslag om met een uitzendcontract hetzelfde werk te doen. Gelokt door citytrips,...
   20 januari 2023

1 op de 4 ambtenaren ziet geregeld politieke inmenging

Sinds eind 2022 loopt in het Oost-Vlaamse Haaltert een onderzoek naar mogelijk machtsmisbruik en belangenvermenging door burgemeester Veerle...
   11 januari 2023

‘Wij slachters doen aan eerstelijnszorg’

Netjes verpakt en in de klinische koeltoog van de supermarkt zijn het varkenshaasje, de kotelet en het spek hun dierlijkheid verloren. Maar uit het...
   09 januari 2023